New Page 1
    Jemen dl. 3.
 

    

Van bijen,  vulkanen  en vis

Woensdag 17 feb. 1999.

Weer een lange rit naar Ataq. We hebben al veel escorte gehad van leger of politie maar nu hebben we de hele weg begeleiding. Verschillende keren worden we overgedragen zodat men niet te ver van het kampement af raakt. Het escorte is dan ook heel verschillend: politieauto met vier agenten (mťt machinegeweren), of in elk van onze auto’s een soldaat of een begeleidende pick-up met zes soldaten, een zware mitrailleur er achterop gemonteerd plus nog een bazooka met antitankgranaat waar een heel nest fundamentalistische terroristen mee opgeblazen kan worden: zover is ’t niet gekomen! Jane vertelt dat ’t hier toch wel een veilig gevoel geeft want net voor haar vorige reis waren hier in de buurt doden gevallen bij een gijzelingsdrama!

Om de vier Š vijf kilometer is er wel een controlepost; er schijnen hier zich nogal wat Afghaanse en Algerijnse fundamentalisten op te houden.

We bezoeken nog het plaatsje Habban, vroeger het centrum van de joodse zilversmeedkunst: deze families zijn echter allemaal al geŽmigreerd naar IsraŽl of de V.S. maar niet vůůrdat ze verplicht de kunst van het ambacht hadden overgedragen aan de Jemenieten! Blijkbaar hebben ze toch wat achtergehouden want het maken van het echt fijne werk hebben ze nog niet onder de knie. Het is een stad met grote welvaart geweest, gezien de grootte van de huizen; er staan nu huizen leeg of bewoonde huizen die half ingestort zijn en dan zie je ook ineens boven je weer kinderkopjes nieuwsgierig uit het raam steken!

In ’t hotel in Ataq aangekomen blijkt de kamer behoorlijk gijzelingssafe te zijn: tralies voor de ramen van draadglas!

Onderweg zie ik nu ook wat bijenbehuizingen. Uiteindelijk stoppen we bij een nogal grote imker. Hier is meteen de grote verscheidenheid aan Jemenitische bijenwoningen opvallend, hoewel ’t wel altijd hetzelfde basissysteem betreft: geen losse bouw, maar ’t principe is een holle boomstam maar dan vlak gelegd. Deze zijn weer verbeterd, maar ’t blijft een holle pijp van hout of een kruik van gebakken leem met voorin ’n nauw gat als vliegopening en achterin een dekseltje van bies. Tenslotte zijn er vierkante, langwerpige kisten met voorin een gaatje voor de bijen en achter een gat voor de imker.

Blijkbaar is hier momenteel nog weinig te halen want er staat een suikervoerbak opgesteld; er staan echter veel struiken op ’t punt van bloeien. Heel interessant! In de Hadramauwt zal ik er nog meer van te zien krijgen want daar komt wereldberoemde honing vandaan!

 

   
 

   
   
 

Donderdag 18 feb. 1999.

Vandaag weer naar de zee, de Golf van Aden ditmaal. We rijden weer continue met escorte; op zeker moment gaat de politie ons door een dorp waar markt is zelfs met zwaailicht en loeiende sirene voorop zodat het marktpubliek direct de kramen de rug toekeert en ons staat aan te gapen!

De geplande wandeltocht door een fraaie wadi kan helaas niet doorgaan vanwege een verbod in verband met voorgewend gevaar als gevolg van de rechtszitting tegen een aantal gijzelnemers die vandaag begint. Gisteravond om half twaalf werd Jane daarvoor nog van haar bed gelicht door de politie!

Dan dwars door de woestijn naar de kust. Een oliepijpleiding langs de weg, wat oases, controleposten ťn enkele mooie zandduinen zien we onderweg.

We hebben nog steeds geen goede haringen voor de tenten voor in 't woestijnzand (alleen maar pennen). In Azan gaan Ghanim en ik op zoek naar iets wat hij eigenlijk niet kent en waarvan ik weet dat ’t er waarschijnlijk niet is! Uiteindelijk stemt hij erin toe ze bij ’n plaatselijke smid te laten afknippen en buigen: twintig stukken platijzer van 30 cm met krul: dat moet ook in het woestijnzand de tenten kunnen vast houden. Fr. hoort ervan en meldt meteen: "Da's niks, da houdt 't nie". Ik schiet meteen uit m'n slof: "'Was dan zelf meegegaan als je 't alles zo goed weet!

Fr. heeft altijd overal ‘n negatieve opmerking voor klaar: ’t eten: "’t Was goe, maar te weinig!"; de muŽzzin ’s morgens vroeg: "Die gillende keukenmeid!" enz. Met nog wat meer aanzeggingen lijkt hij later toch wat in te schikken: misschien leert ’n eigenzinnige man van zestig ook wat bij als ’t hem goed verduidelijkt wordt!



 
  We rijden nu door naar ’t strand bij Bir Ali. Op ’n prachtige locatie, op ’t strand aan de voet van ’n slapende vulkaan zetten we de tenten op met daarbij nog ’n speciaal afdak als ziekenboeg voor Dolf met z'n pijnlijke oorontsteking: uit de hete zon en in ‘n klein zuchtje wind. Tegen negenen ’s avonds komt hij voorzichtig aangewandeld: de pijn is behoorlijk gezakt en de ontsteking lijkt door te zijn want er komt wat rommel uit het oor.

Voor ons ligt een mooie baai met witte stranden, achter ons de vulkaan, aan de overkant ook ’n vulkaan, ’n eilandje links, overvliegende visarenden en bijna niemand te zien, behalve wat kooplui die hun schelpen en koraal uitstallen en daarmee rustig ’n uurtje blijven zitten! SomaliŽrs zijn ‘t, als vluchteling hier voor de onrust in hun land. Je ziet ze overal; er werken er heel veel als kamermeisje in hotels.

Zo’n schitterende zee ligt er gewoon voor om eens lekker in te duiken: het water is heerlijk, er is geen branding; ’t is net of het water door de warmte hiervoor te loom is!

Na ’n lekkere groentesalade, ‘n gepofte aardappel en fruitsalade kijken we nog wat satellieten (vijf stuks!) en gaat ieder op z’n bedje bij ’t rustgevende golvengeklots.

   
 

Vrijdag 19 feb. 1999.

Nog in de tent om kwart over zes hoor ik buiten al een gerammel van schelpen: nieuwsgierig geworden zie ik buiten alweer een schelpenvrouwtje van gisteravond die toch vooral de klandizie niet wil missen, maar ook nu blijft de handel in schelpen erg flauw.

De berg (vulkaan) op ’t schiereiland die achter onze rug oprijst is wel een uitdaging. Met ’t voorliggende land heeft het plaats geboden aan de stad Qana, ’n heel belangrijke schakel in de handel in goud vanuit India, haven ook voor schepen vanuit en naar Afrika en verder naar ArabiŽ en startpunt voor de karavaanroutes richting o.a. Petra. Met veel wierook en mirre uit "Arabia Felix" en de hoorn van Afrika reisden ze daar twee maand over: onvoorstelbaar heden ten dage!

   
  We besluiten naar boven te klimmen en zien onderweg en ook bovenop restanten van woningen en andere gebouwen. Naar beneden kijkend ligt er duidelijk de plattegrond van een stad!

Van boven hebben we een prachtig uitzicht over het erg vulkanische, zwarte achterland, de helder blauwgroene zee met ook vulkanische eilanden en het witte stuifzand en strand waar we de achterblijvers zien die niet weten wat ze missen!

Dan op weg naar Al Mukalla, een stad aan de kust van honderdduizend inwoners, nu niet meer belangrijk als havenplaats, hooguit nog voor de lokale visserij. Het oogt als een moderne plaats met veel nieuwbouw langs de kust in Arabische stijl. Er liggen ook vakantiedorpen waar mensen uit de golfstaten komen recreŽren.

Dan ineens ook een "slum": een groot aantal bouwsels van roestige golfplaten is al wat er staat. Ghanim weet te vertellen dat hier vluchtelingen uit SomaliŽ wonen: de armoe straalt er vanaf! Voor wat hulp in hun bestaan hebben ze van de overheid duidelijk niet veel te verwachten!

 
   

 

 

 

 

’s Middags: een visrestaurant. Daar ik deze luxe niet waardeer is er voor mij alleen rijst met ’n salade van tomaat en ui plus maksalla een gekookt groenteprutje van voornamelijk bonen zonder erg veel smaak. Maar…… ook ‘s avonds weet Jane in Al Mukalla een geweldig visrestaurant waar misschien ook wel iets anders dan vis te krijgen is probeert ze me te troosten! Het is een restaurant waar bijna alle plaatsen op straat zijn, auto’s komen hier nauwelijks.

Het is vermakelijk om te zien hoeveel mensen er staan te wachten op een lege plek, uit de hand eten doet men niet en daarbij eet men snel, blijkbaar zuiver functioneel en niet voor de gezelligheid zoals wij doen als we uit eten gaan. Het duurt dan ook niet lang of we hebben zelfs een tafel voor ons allemaal. Gelukkig is ’t in Jemen zo dat men uit principe geen nee verkoopt, dus nu is er wel ‘n zwager of ‘n verre buur die kip verkoopt en na een minuut of tien arriveert dan ook het boodschappenjong met een halve kip in een krant speciaal voor mij! Een ongekende service die we nog vaker zouden treffen!

  Al Mukalla

Zaterdag 20 feb. 1999.

Vanmorgen eerst even naar de vismarkt. Ton en Diet komen om halfacht terug met de mededeling dat er niets te beleven is. Nu hadden ze dat wel even kunnen overleggen, want ik heb ergens gezien dat de markt van acht tot elf is, dus de volgende poging is voor mij. En inderdaad: nu is er wel enige aanvoer. De markt ligt direct aan het strand, de vis wordt in kleine bootjes aangevoerd en bestaat voornamelijk uit tonijn, meest klein maar ook grotere tot bijna twee meter, wat barracuda en verder mij onbekend grut. De meeste vissers zullen in de loop van de ochtend wel binnenkomen met de vangst als wij op tour zijn.

 

 
    Ash Shirr, dat we hierna bezoeken is bekend om z’n geweven doeken, speciaal de omslagdoeken die de mannen hier om hun middel dragen: vaak met goud- of zilverdraad doorweven. Er zijn verschillende kleine thuisweverijtjes waar dan ook maar ťťn of twee man werkt.

Ik vind dat een Nederlandse vrouw er ook wel een als lange rok zal kunnen dragen, dus ik zoek de mooiste uit in ’n weverijtje, laat Jane showen en… koop ‘m (voor jou, Ineke!)

We rijden langs de kust en dan ineens roept iemand: "Ik zie ’n heel grote vis!" Direct daarna nog meer: het blijken zowaar dolfijnen te zijn die voor de kust zwemmen: met een golvende beweging op en neer, de ruggen telkens uit ’t water, heen en weer langs ’t strand! Een schouwspel om niet maar zo te vergeten!



 
  In Al Hami bezoeken we een gebied met heetwaterbronnen, gevolg van vulkanische activiteit. Het water wordt uiteindelijk gebruikt om de akkers te bevloeien, maar wanneer ’t uit de grond komt is ’t daarvoor veel te heet, zů heet dat Ghanim er een brandblaar aan over houdt! De verschillende bronnen ruiken zwavelachtig en waarschijnlijk zitten er ook wel andere mineralen in: de smalle stroompjes komen op enkele plaatsen uit in ‘n een soort bassin bestemd voor geneeskracht zoekende baders.

 
  Zondag 21 feb. 1999.     Verdwaald!!!

Vandaag iets meegemaakt: bijna verdwaald in de woestijn! We vertrokken van Al Mukalla naar Khaila en Sief in de Wadi Do’an. Eerst asfaltweg, later steenslag zoals de woestijn er daar helemaal uitzag. Er zijn wat kleine oases maar verder het land in eigenlijk alleen maar het grote "niks". Dolf neemt het stuur over van Ghanim, en Mohammed, bij wie ik nu in de auto zit, wil nu wel eens voorop rijden en neemt meteen een behoorlijke voorsprong! Samen met onze escortesoldaat, die nu eens bij ons in de auto zit, denkt hij wel de weg te vinden!
 
  We hebben afgesproken na ongeveer drie kwartier een picknickplaats te zoeken onder een boom maar in de wijde omtrek is geen boom te bekennen en ook geen andere auto meer. Op zeker moment besluiten we toch maar eens te wachten en, hoewel op een heuvel, van volgers geen spoor te bekennen! 

Dan maar terug, misschien pech! Bijna een uur terug rijden tot we een tegenligger (een zeldzaamheid) kunnen vragen of hij Ghanim ook gezien had. Niet dus, maar volgens de informant hebben zij waarschijnlijk de andere weg genomen!! Volg mij maar. Nu zijn wŪj de volgers met een heel grote achterstand, wat inhoudt: gťťn picknick, zelfs ’t beloofde mooie uitzichtpunt missen we, we volgen gewoon de pick-up met de kameel op knieŽn in de bak. 

Ineens zien we een diep dal en duiken daar dan ook meteen al in. Het is de schitterende wadi Do’an die als een diepe canyon in ’t plateau ligt uitgeslepen. Uiteindelijk belanden we om een uur of vier in het dorp bij ’n aardige funduq. Je vraagt je af waar zo’n onderneming van bestaat want Sief ligt echt in "the middle of nowhere"! Dat betekent dat ’t er ook rustig is; ik heb dan ook heerlijk geslapen op het dak onder de erg heldere sterrenhemel!

     
     
     

Vooruit naar:  Jemen dl 4 

  Terug naar:  Jemen dl 2 

  Terug naar:  Reisindex